volkstelling 1829
 
De registratie van de volkstelling in 1829 lijkt een janboel. Alleen formulieren met een opsomming van gezinsleden. In de gemeente Gaasterland ruim 600 formulieren. Allemaal te vinden op www.genver.nl Zonder vermelding van plaatsnaam en huisnummer. Jarenlang heb ik deze bron genegeerd vanwege de ogenschijnlijke ongecategoriseerde archivering.
Niets is minder waar. Toevallig kwam ik er achter dat er toch systeem zit in de archivering en volgorde. Zeker voor wat betreft de inwoners van Balk. De formulieren zijn gearchiveerd op volgorde van huisnummer. Een groot deel van de ingevulde formulieren heb ik kunnen koppelen aan een adres. Met behulp van de taxatie van het onroerend goed van 1812. De kadastrale eigenaren (OAT) van 1832. De volkstelling van 1840. En ook de vermelding van het huisnummer bij de geboorte- en overlijdensaangiftes van 1811-1829.
Het huidige Westein en de Gaaikemastraat blijven net als bij de reeelcohieren een lastig deel van Balk om excact aan te geven waar de gezinnen woonden.
De formulieren zijn deels ingevuld door de bewoners zelf en daardoor niet altijd goed leesbaar en vaak met spelfouten. Maar niet minder interessant.
De andere dorpen in de gemeente Gaasterland zijn te vinden achter een apart tabblad binnen de ruim 600 pagina's. Wijckel begint op blad 248, Sondel op 336, Nijemirdum op 380, Oudemirdum op 404, Mirns en Bakhuizen op 456, Harich op 547, Ruigahuizen op 598
De grietenij Gaasterland telde in het jaar 1829 1401 mannen en 1368 vrouwen.
 
formulieren
BALK: blad 1 tot en met 124 - / - BALK: blad 125 tot en met 248
WIJCKEL: blad 250 tot en met 328
HARICH: blad 574 tot en met 597 - / - RUIGAHUIZEN: blad 598 tot en met 607
 
Dat veel inwoners van Balk / Gaasterland in 1829 als Gereformeerd als godsdienst vermelden heeft waarschijnlijk te maken dat tot 1816 de kerk in Balk behoorde tot de Nederduits Gereformeerde Kerk? Of ligt het nog iets anders?
In 1816 fuseren de Nederduitse Gereformeerde Kerk en de Waalse Kerken tot de Nederlandse Hervormde Kerk. In de tweede helft van de negentiende eeuw gaan de tegenstellingen binnen de Nederlandse Hervormde Kerk steeds nadrukkelijker een rol spelen, er zijn grote verschillen in opvatting over de kerkelijke leer tussen vrijzinnigen en rechtzinnigen. De vooraanstaande dominee Abraham Kuyper weet een deel van de rechtzinnige onvrede te kanaliseren in de Doleantie van 1886, die leidt tot wederom een uittreden van grote groepen gelovigen uit de Nederlandse Hervormde Kerk en de oprichting van de Gereformeerde Kerken in Nederland, waarbij zich ook veel Afscheidingsgemeenten aansluiten.
bron: www.wikipedia.org
 
Gedurende de negentiende eeuw daalde het analfabetisme in Nederland van een niveau van 20 procent in 1800 naar bijna nul procent in 1900. Dit was niet omdat lager onderwijs verplicht was gesteld, noch omdat de moderne maatschappij het noodzakelijk maakte dat iedereen kon lezen en schrijven. Verondersteld wordt dat het de ouders zelf waren die het verstandig vonden om hun kinderen naar school te sturen om ze op deze wijze een goede start te geven voor hun latere maatschappelijke loopbaan. Als dit zo is, dan mag men verwachten dat mensen met enige opleiding in de negentiende eeuw meer kansen hadden op baanverandering en sociale mobiliteit dan analfabeten. De presentatie geeft de eerste resultaten van deze analyse.
bron: http://www.iisg.nl/hsn/news/2008abstracts.php
 

Industrie en geletterdheid

Pas met de opkomst van de industriële revolutie in de negentiende steeg de geletterdheid weer flink: in Europa daalde het analfabetisme in de geïndustrialiseerde landen. In 1860 was slechts de minderheid van de volwassenen in geïndustrialiseerde landen niet in staat om te lezen. Het werd bovendien steeds belangrijker voor de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving dat zoveel mogelijk kinderen naar school gingen. Zo merkten fabriekseigenaren dat oudere kinderen die konden lezen en schrijven beter inzetbaar waren in een fabriek dan kinderen die dit niet konden. Uiteindelijk werd in 1900 de Leerplichtwet aangenomen; hiermee kwam een einde aan de kinderarbeid en werd analfabetisme in Nederland meer en meer een uitzondering.

bron: https://isgeschiedenis.nl/nieuws/de-geschiedenis-van-het-alfabetisme-in-nederland
 

Het leespubliek

Wie konden er lezen?

In vergelijking met de bevolking van andere Europese landen konden er in Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw al heel wat mensen lezen.

Hoe kan men achterhalen wie er kon lezen? Als mensen trouwden, moesten ze een handtekening in het trouwboek van de kerk zetten. Wie dat niet kon, zette een kruisje. Die kruisjes kan men tellen. Maar dat wil nog niet zeggen dat alle mensen die een handtekening konden zetten, ook werkelijk konden lezen. Er zijn misschien mensen geweest die zich oefenden in het schrijven van hun naam, maar verder analfabeet waren. Maar andersom is ook mogelijk dat mensen die een kruisje zetten, wel konden lezen. Op school leerde men namelijk eerst lezen, en dan pas schrijven. Dus mensen die maar een paar jaar op school gezeten hadden, konden misschien wel lezen, maar geen handtekening zetten. En verder zijn er natuurlijk allerlei gradaties van kunnen lezen. Wie alleen de koppen van de krant en het weerbericht spelt, zal met een boek moeite hebben. Dus het tellen van kruisjes in trouwboeken zegt niet alles over het al dan niet kunnen lezen. Ook valt de groep ongehuwden buiten de cijfers, en mogelijk was hieronder een groot aantal analfabeten. Trouwen deed men namelijk pas als men er geld voor had, en analfabeten zijn er veel onder de allerlaagste standen. Ondanks alle bezwaren tegen het kruisjes tellen is er echter geen andere manier om iets over het aantal mogelijke lezers te kunnen zeggen. Dat geldt ook voor de negentiende eeuw, al zijn de trouwboeken van de kerk dan vervangen door staatsregistraties.

 

In de negentiende eeuw groeide de bevolking gestaag, nadat er jaren van stilstand waren geweest. Van twee miljoen in 1800, naar drie miljoen

[p. 6]

in 1850, tot ruim vijf miljoen in 1900. In de Franse tijd, om precies te zijn in 1811, werd de burgerlijke stand ingevoerd. Registratie van geboorte, huwelijk en overlijden werd verplicht. Dat wil zeggen dat er vanaf die jaren betrouwbare cijfers over de bevolkingsaantallen zijn. Vóór die tijd vielen er nog wel eens wat mensen buiten. Het tellen van handtekeningen bij het trouwen kan dus vanaf het begin van de eeuw met vollediger materiaal. Ook zijn er buiten de huwelijksakten nog meer bronnen gekomen. Zo weten we het percentage ongeletterde rekruten uit 1846-1849: 26 procent van de jongens. In België lag in dezelfde tijd het percentage veel hoger: 51 procent in 1843, 44 procent in 1850. Ook binnen Nederland bestond er per streek een groot verschil in alfabetisering. In Limburg bijvoorbeeld waren in 1813-1819 20 procent meer analfabeten dan in Drenthe. Over het algemeen waren de katholieken ongeletterder dan protestanten. Het aantal vrouwen dat geen handtekening kon zetten was nog lang schrikbarend hoog: ongeveer het dubbele van de mannen. In 1840-1849 kon in een stad als Gouda nog 53 procent van de bruiden geen naam onder de akte zetten, tegenover 29 procent van de mannen. Behalve het niveauverschil tussen de geslachten en de religies was er ook nog een differentiatie naar de stand. Lezen was standsgebonden. In de hoogste en middenklassen kon iedereen wel lezen. De analfabeten vond men onder de werkloze ongeschoolden, de landarbeiders en kleine boeren, sjouwersknechten en dergelijken. In de literatuur wordt niet meer, zoals in de zeventiende en achttiende eeuw, de spot gedreven met mensen die niet kunnen lezen. De knechten en meiden uit de negentiende-eeuwse verhalen en blijspelen lezen stiekem liefdesbrieven van hun meesters. Dienstboden en landbouwers hebben rond 1840 een speciaal voor hen bestemde almanak, wat er toch op duidt dat het gros kon lezen. Zelfs het arme diakenhuismannetje uit de Camera Obscura, een bejaarde die nooit eigen geld heeft gehad, heeft wel lezen geleerd, al was het niet genoeg om hulpje te worden in een apotheek.

Er kan van uitgegaan worden dat in de loop van de negentiende eeuw zo ongeveer 75 procent van de bevolking leerde lezen en schrijven. Dat is niet ongunstig vergeleken met andere landen.

 

Dat de alfabetiseringspercentages in Nederland gemiddeld hoog liggen, wordt aan twee oorzaken toegeschreven. Het protestantisme heeft sterk de nadruk gelegd op het lezen van de bijbel in het huisgezin. Daardoor zou het leren lezen bij het gewone volk bevorderd zijn. Het verschil tussen katholiek en protestant in de alfabetisering zou daarop ook teruggebracht kunnen worden. Verder kwam er in de loop van de negentiende eeuw een grote verbetering van het onderwijs tot stand. Lang voor de invoering van de leerplicht was het voor praktisch ieder kind al mogelijk naar de

[p. 7]

lagere school te gaan. Zowel de overheid als de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen heeft daaraan meegewerkt.

Maar ook al zijn er naar verhouding veel alfabeten, dat wil nog niet zeggen dat al de mensen die konden lezen, ook werkelijk boeken lazen, laat staan literatuur. De meeste mensen waren 's avonds te moe om nog te lezen. Men maakte op de fabrieken werkdagen van twaalf tot zestien uur lang. Ook kinderen werkten mee in de fabriek of op het land. Men had in de schaarse vrije tijd wel wat anders aan het hoofd dan boeken lezen. Ook andere materiële dingen bemoeilijkten het lezen. Boeken waren kostbaar. Licht was duur en men was er zuiniger mee dan nu. Men las 's avonds bij een kaars of een olielamp, en slecht licht vermoeit de ogen. Gaslicht kwam er pas tegen het eind van de eeuw in de luxe huizen. Brillen waren waarschijnlijk nog niet betaalbaar voor iedere slechtziende. Ook zulke gewone zaken beïnvloedden het al dan niet lezen van de negentiende-eeuwer.

Het onderwijs

Een van de ideeën van de Franse revolutie was, dat het onderwijs een zaak van de staat moest worden en geen privé-zaak mocht blijven van goedwillende gemeenten, zieltjesbeluste geestelijken of commerciële schoolmeesters. Als men alle broeders tot volwaardige burgers wilde opvoeden, moesten er scholen van een goed niveau komen die voor iedereen toegankelijk moesten zijn.

 

Er waren tot dan verschillende soorten lagere scholen geweest die sterk standsgebonden waren. De kinderen uit de burgerstand bezochten de zogenaamde eenmansscholen waar leerlingen van alle niveaus en leeftijden door elkaar in één lokaal zaten. Ze leerden daar braaf te zijn, niet door overtuiging, maar uit angst voor straf. De meester hanteerde de roede en de plak, een soort stok met een platte schijf waarmee hij de leerlingen letterlijk op de vingers tikte. Het lokaal was vaak in het huis van de meester. Aparte boekjes of leesplankjes waren er niet. Een griffel en lei was eigenlijk alles wat de leerling aan materiaal had. De meester werd door de ouders betaald met schoolgeld, en hij had meestal een gemeentevergunning nodig. Kinderen van welgestelden kregen huisonderwijs van een gouverneur of ze gingen naar een goede kostschool. De armsten gingen niet naar school.

Aan het eind van de achttiende eeuw begonnen er veranderingen te komen. De mensen die in aanraking waren gekomen met de ideeën van de Verlichting, eisten een ander soort onderwijs, dat meer op verstandelijke ontwikkeling gericht was. Romantische opvattingen over kin-

[p. 8]

deren die van nature gevoelig en goed zouden zijn en niet met straf en hardheid aangepakt moesten worden, kwamen hier nog bij. Het kind was geen miniatuur-volwassene, maar een wezen met een eigen gedachtenen voorstellingswereld. Wie het kind wilde opvoeden, moest zich verdiepen in de manier van denken van het kind. Het onderwijs moest zich op het aanbrengen van begrip gaan richten, en niet door angst voor straf de kinderen aan het werk houden.

In de Franse tijd werd in Nederland een nationaal plan voor de opvoeding opgesteld. Men constateerde dat de onderwijzers geen opleiding hadden gevolgd, en dat er geen aangepaste leermiddelen voor de kinderen waren. Er zou van overheidswege een opleiding voor onderwijzers moeten komen. Het functioneren van de lagere scholen zou gecontroleerd moeten worden door inspecteurs. Het onderwijs zou een staatszaak moeten worden, gesubsidieerd door de staat. Iedereen zou tenminste lager onderwijs moeten kunnen volgen, dat wilde zeggen tenminste schrijven, lezen en rekenen leren.

Het eerste ministerie dat zich met onderwijs bezighield werd opgericht in 1798 en heette het ‘agentschap voor nationale opvoeding’. Gaandeweg kwamen er verbeteringen tot stand. Het klassikaal systeem werd ingevoerd. Leerlingen van één leeftijd kregen nu gezamenlijk les. Onderwijzers moesten staatsexamen gaan afleggen. Een aantal slaagde niet voor de toch zeer eenvoudige examens. De meest onbekwame meesters verdwenen. Lijfstraffen werden vervangen door een systeem van beloningen met kaartjes. Wie een aantal kaartjes verzameld had, kreeg een hoog cijfer, of een goede aantekening op het schoolbord. Wie ondeugend was, moest kaartjes inleveren. Het lezen en schrijven werd nu tegelijk aangeleerd, en niet meer zoals vroeger eerst het lezen. Er kwamen nieuwe schoolboekjes, en ook nieuwe leesmethoden.

Heel veel succes had een nieuwe methode om snel lezen te leren. Tot dan hadden de kinderen lezen geleerd uit de zogenaamde hanen-of ABC-boeken. Hierin stonden losse letters, een aantal niet samenhangende woorden en een berijmd alfabet. De woordenschat was helemaal niet aangepast aan de kinderen, en de inhoud ging hun voorstellingsvermogen te boven. Ook was er geen logisch verband tussen wat ze al wisten en wat ze nog moesten leren. Ze leerden de woorden door de letters van het alfabet ‘voluit’ uit te spreken. Dus om boer te leren, werd hardop gespeld: bee-oo-ee-er. Zo'n woord werd onherkenbaar. Het berijmd alfabet uit de ABC-boeken ging als volgt:

 
Ach Heer, terwijl ik in mijn jeugd
 
Ben gansch besmet met vuile zonden
 
Cier my door uwen Geest met deugd:
 
Doe my in Christus zijn gebonden.
[p. 9]
bron: https://www.dbnl.org/tekst/math004lite02_01/math004lite02_01_0003.php
 

 

beginpagina langsdeluts pagina online: 24 juli 2022 laatste wijziging: 24-07-2022